Krabbenscheer
Krabbenscheer vegetaties in de Veenkoloniën als biotoop voor groene glazenmakers (Aeshna viridis) en

nieuwe adviezen voor beheer van krabbenscheer (
Stratiotes aloides) vegetaties

nieuwe adviezen voor beheer van krabbenscheer vegetaties


Inleiding


De aanleiding voor dit onderzoek was het verlenen van een ontheffing, in 2008, door het toenmalig Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit aan de provincie Groningen voor de verplaatsing van een populatie groene glazenmakers samen met een populatie krabbenscheer naar een plaats waarvan van te voren vaststond dat deze ongeschikt was voor beide soorten. Maar waarom deze nieuwe plaats ongeschikt zou zijn was echter niet zomaar te verwoorden. Hierop is in dat jaar 2008 een onderzoek gestart naar de biotoop eisen van krabbenscheer in de Gronings-Drentse Veenkoloniën. Tijdens dit onderzoek werden bij krabbenscheer vegetaties op allerlei uiteenlopende plaatsen ook groene glazenmakers waargenomen en al spoedig bleek dat deze groene glazenmakers voorkwamen op plekken die in het geheel niet overeenkwamen met de biotoop beschrijving uit de literatuur. Hierop werd een onderzoek gestart naar de biotoop voorkeur van Groene glazenmakers in de Gronings-Drentse Veenkoloniën.


Wettelijke status van de Groene glazenmaker


De groene glazenmaker is een strikt beschermde soort die voorkomt op lijst IV van de Flora- en faunawet. Dit betekent o.a. dat het verboden is om het leef- en voortplantingsgebied van

groene glazenmakers te verstoren en/of te vernietigen. Omdat de groene glazenmaker haar eieren uitsluitend legt in krabbenscheer planten betekent dit dat in de praktijk vrijwel alle krabbenscheer vegetaties ook strikt beschermd zijn. Van deze verboden kan een ontheffing worden verkregen, wat in bovengenoemd geval gebeurd is, maar die in 2015, na een procedure die is aangespannen door Stichting Platform Berend Botje, een stichting die zich inzet voor de bescherming van groene glazenmakers, door de Raad van State is vernietigd.


Krabbenscheer vegetaties in de Veenkoloniën


In de Gronings-Drentse Veenkoloniën, hier verder aangeduid als de Veenkoloniën, hebben zich vanaf de jaren 90 van de vorige eeuw op allerlei plaatsen meer of minder uitgebreide krabbenscheer vegetaties ontwikkeld en het is juist deze verscheidenheid aan krabbenscheer vegetaties die het mogelijk heeft gemaakt om een beter inzicht te verkrijgen in de biotoop eisen van groene glazenmakers.

De meeste krabbenscheer vegetaties in de Veenkoloniën worden aangetroffen in de stedelijke bebouwing van de plaatsen Hoogezand, Veendam, Wildervank en Stadskanaal. Daarnaast zijn er meer of minder uitgestrekte vegetaties in de lintdorpen Nieuwediep, Valthermond, Emmer Compascuum en Emmer-Erfscheidenveen. In het agrarisch gebied komen krabbenscheer vegetaties maar weinig voor. Uitzonderingen hierop zijn o.a. het Pagediep tussen Stadskanaal en Onstwedde, de gereconstrueerde Runde bij Zwartemeer en velden in het voormalig veenkanaal langs Dalweg 36 in de Wildervanksterdallen.

Deze krabbenscheer vegetaties variëren in omvang en dichtheid van de krabbenscheer planten. Zo zijn er uitgestrekte velden in voormalige veenkanalen, die te vergelijken zijn met situaties in petgaten in de laagveen gebieden van Nederland, maar ook situaties waarbij verspreid in het water kleine velden en plukjes krabbenscheer drijven in grootte variërend van enkele tot honderden planten. Ook de planten variëren van uiterlijk en grootte: van forse planten die strak opeengedrongen vrijwel rechtop in het water staan en ijle planten die nauwelijks boven het water uitsteken en planten die alle ruimte hebben, wat armetierig zijn en waarvan hun bladeren wijduit en wat naar beneden staan. Er groeien planten op zon beschenen plaatsen en op volledig beschaduwde plaatsen, op beschutte plaatsen en op aan de wind bloot gestelde plaatsen.


Het onderzoek aan krabbenscheer vegetaties.


Het onderzoek is in 2008 begonnen in de plaatsen Veendam, Wildervank en Stadskanaal en is gestaag uitgebreid, eerst naar de plaats Hoogezand-Sappemeer en later naar vrijwel het hele veenkoloniale gebied. Zie kaart.

Afhankelijk van de grootte en de bereikbaarheid van de krabbenscheer vegetaties zijn de aantallen planten en/of de oppervlakte geschat. Voor de omrekening van de aantallen naar oppervlakte en omgekeerd werd een zo nauwkeurig mogelijke schatting van beide gemaakt of werd, als het niet anders kon, aangenomen dat het aantal planten per m2 ongeveer 20 bedroeg.

Tijdens het onderzoek bleek al snel dat de wettelijke bescherming van de krabbenscheer vegetaties vooral op papier goed geregeld is. Mijn gedachte dat overheden en waterschappen de bepalingen uit de Flora- en faunawet en de Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen goed zouden naleven bleek veel te naïef. Prachtige krabbenscheer vegetaties bleken plotsklaps zomaar geheel verdwenen, maar al vaak door drastisch schonen en dat maar al te vaak vanwege klachten van aanwonenden die “die rommel op het water” maar niets vonden! Deze ongewenste schoningsactiviteiten hebben het onderzoek aan krabbenscheer vegetaties en naar de biotoop eisen van groene glazenmaker erg bemoeilijkt. Daarnaast verdwenen er ook krabbenscheer vegetaties zonder duidelijk aanwijsbare oorzaak en mogelijk op natuurlijke wijze.

Tot nu toe zijn er op 225 plaatsen krabbenscheer vegetaties gevonden en kortere of langere tijd gemonitord in een gebied van ongeveer 900 km2. Van deze 225 vegetaties zijn er tot en met 2015 maar liefst 66 geheel verdwenen. In totaal betreft dit ongeveer 836.038 planten wat overeenkomt met ongeveer 42.000 m2 krabbenscheer vegetatie en 56% van de maximaal aanwezige aantallen planten. Zie tabel 1.


Tabel 1:

Plaats aantal Aantal Maximaal maximaal afname afname oorzaak afname

in

locaties planten aantal planten aantal loc. planten % M N O

Hoogezand

18

27.895

150.152

29

122.257

81

3 8

Muntendam

1

2.500

15.100

4

12.600

83

1 2

Pekela

2

10.100

31.250

4

21.150

68

1 1

Veendam

46

121.920

505.346

73

383.426

76

22 1 4

Wildervank

8

143.200

286.900

10

143.700

50

1 1

Nieuwediep

5

14.030

47.750

6

33.720

71

1

Stadskanaal

27

117.495

190.550

38

73.055

38

8 1 2

Drouwenermond

1

20

4.000

1

3.980

99

Valthermond

10

3.620

6.800

13

3.180

47

3

Emmen

41

211.329

250.299

47

38.970

16

2 3 1









Totaal

159

652.109

1.488.147

225

836.038

56

38 19 9


M = menselijke oorzaak, N = natuurlijke oorzaak, O = onbekend


Bescherming van groene glazenmakers


Toen ik waarnam dat vegetaties krabbenscheer zo maar en volledig in strijd met de Flora- en faunawet en de Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen werden vernietigd, heb ik eerst contact opgenomen met de beheerders, waterschappen en gemeenten, en ging ik er vanuit dat dit uit onwetendheid gebeurde. Al snel werd helaas duidelijk dat de beheerders de regels bewust overtraden.
Hierop werd samen met Platform Berend Botje actie ondernomen en werden de beheerders systematisch geconfronteerd met alle waargenomen overtredingen van de Flora- en faunawet. Gedurende enige jaren werd geprobeerd om in goed overleg met de beheerders tot een goed naleven van de Flora- en faunawet te komen, maar toen dat niet lukte is in overleg met Platform Berend Botje besloten, dat Platform Berend Botje nu consequent aangifte zou gaan doen van alle nieuwe overtredingen.
Dit heeft er toe geleid dat het erop lijkt dat in 2015 de Flora- en faunawet en de Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen redelijk lijken te zijn nageleefd. Een punt van zorg en actie is nog het feit dat beheerders tot nu toe weigeren om de door hun vernietigd leef- en voortplantingsgebied van groene glazenmakers te herstellen of voor vervangend leefgebied te zorgen, iets waartoe ze volgens de Gedragscode wel toe verplicht zijn.


Wat betreft de gedane aangiftes van overtreding van de Flora- en faunawet moet helaas vermeld worden dat de daartoe aangewezen instantie, op dit moment de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland, tot nu toe alle aangiftes en verzoeken tot handhaving op de meest kinderachtige wijze wist af te wijzen. De Rijksdienst voor Ondernemend Nederland probeerde zelfs op uiterst achterbakse wijze Platform Berend Botje als rechtspersoon, die opkomt voor de belangen van de groene glazenmaker, niet ontvankelijk te verklaren, wat gelukkig voor de rechter is mislukt. Duidelijk is wel dat de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland er niet is om de naleving van de Flora- en faunawet af te dwingen, maar er wel is voor Ondernemend Nederland, inclusief waterschappen en gemeenten!

Voor bijzonderheden kan de website : www.platformberendbotje.nlgeraadpleegd worden.


Literatuur over de biotoop eisen van groene glazenmakers


In de loop van de jaren is er opvallend weinig onderzoek gedaan naar de eisen die groene glazenmakers stellen aan hun biotoop. Net als bij Krabbenscheer is het meeste van dit weinige onderzoek gedaan in laagveen gebieden. Goed beschouwd is er maar één publicatie die wordt geciteerd als het gaat om de biotoop eisen van de Groene glazenmaker. Het betreft de publicatie van R. Geene uit 1989: biotoopvoorkeur van de Groene glazenmaker (Aeshna viridis). In: W.N. Ellis (Ed.) Insektenfauna en natuurbeheer. Utrecht, Stichting K.N.N.V.

Samengevat komen de biotoop eisen, die overigens alleen gebaseerd zijn op waarnemingen van eileggende vrouwtjes in laagveen gebieden, op het volgende neer:


Het gaat om een homogene, door (vitale) Krabbenscheer gedomineerde vegetatie die als volgt kan worden omschreven:

- de vegetatie heeft een homogeen karakter en wordt door Krabbenscheer gedomineerd.

- de Krabbenscheerplanten hebben enkele bladeren van tenminste 25 cm lang. (Dit moet men vergelijken met de gevonden uiterste waarden 20 en 60 cm).

- De maximale bladbreedte varieert tussen de 2,5 en 3,5 cm (waargenomen uitersten 1,5 en 4,0 cm).

- de vegetatie steekt minimaal 15 cm boven het wateroppervlak uit (uitersten 10 en 30 cm)

- gemiddeld bevinden zich hier 10 tot 20 vrij drijvende rozetten per m2 (uitersten 5 en 32/m2)

- de waterdiepte tot de sapropeliumlaag bedraagt 40 - 80 cm (uitersten 10 en 150 cm)

- de indruk bestaat dat de structuur van de vegetatie niet al te dicht mag zijn, maar meetgegevens om dit te onderbouwen ontbraken helaas.

- verder bestaat het vermoeden dat de optimale milieu van Groene glazenmaker bestaat uit optimale krabbenscheervegetaties die, als ze met rust gelaten worden, snel verlanden.


Eigen waarnemingen

Tijdens het veldwerk viel het mij al spoedig op dat er bij sommige krabbenscheer vegetaties zowel mannetjes als vrouwtjes groene glazenmakers aanwezig waren en bij andere alleen eileggende vrouwtjes. Daarnaast viel op dat bij uitgestrekte krabbenscheer vegetaties soms opvallend weinig groene glazenmakers aanwezig waren en dat bij een aantal plaatsen met betrekkelijk weinig verspreid liggende planten en groepjes planten juist, naar verhouding, opvallend veel groene glazenmakers voorkwamen. Uit deze waarnemingen kwam ik na verloop van tijd tot de conclusie dat man en vrouw groene glazenmaker op verschillende wijze omgaan met de krabbenscheer vegetaties en dat bovenstaande eisen niet juist blijken te zijn.

Verder bemerkte ik in de loop van het onderzoek dat op sommige krabbenscheer vegetaties veel exuviae van groene glazenmakers op krabbenscheer planten aanwezig waren, tot wel meer dan één per vierkante meter, en op andere, ogenschijnlijk vergelijkbare krabbenscheer vegetaties, er nauwelijks exuviae voor kwamen.


Problemen bij het onderzoek

Een praktisch probleem is dat groene glazenmakers pas vrij laat met hun vlieg- en eileg activiteiten beginnen en dat vrijwel uitsluitend bij zonnig en vrij warm weer! Mannetjes groene glazenmakers verschijnen rond 13.00 uur bij de krabbenscheer vegetaties en vrouwtjes pas rond 14.00 uur. Mannetjes groene glazenmaker vliegen door tot ongeveer 17.00 uur en vrouwtjes tot ongeveer 16.30 uur. Dat maakt het lastig om op een dag in het uitgestrekte Veenkoloniale gebied bij meerdere plaatsen waarnemingen te doen.

Zoals al opgemerkt waren op veel plaatsen Krabbenscheer vegetaties zomaar verdwenen. Dat betekent een ongewenste verstoring van de continuïteit in een reeks waarnemingen. Veel vaker dan gedacht bleken deze geschoonde vegetaties ook niet meer te herstellen van het op brute wijze schonen. Ook komt het voor dat krabbenscheer vegetaties drastisch worden geschoond, maar dat deze zich het jaar erop weer geheel of gedeeltelijk herstellen. Dit komt in bovenstaande tabel 1 onvoldoende tot uiting en ook is onbekend welke effecten dit heeft op de larven van groene glazenmaker, die in het water tussen deze planten leven. Dat met het verwijderen van krabbenscheer planten ook de daarin gelegde eieren verdwenen zijn is uiteraard wel duidelijk.

De geschiedenis, wanneer ontstaan en hoe beheerd, van een nieuw gevonden krabbenscheer vegetatie is vaak onbekend, wat het lastig maakt om de waarnemingen aan groene glazenmakers in de eerste jaren na de vondst te interpreteren, vooral als het gaat om waarnemingen aan exuviae.

Baggeren blijkt voor krabbenscheer altijd fataal omdat na het baggeren het water te diep is geworden voor krabbenscheer. Alleen op plaatsen waar bomen langs het water groeien, kan krabbenscheer terugkomen, omdat de afgevallen boombladeren de bodem na verloop van jaren weer kunnen gaan ophogen, zodanig dat krabbenscheer er weer kan gedijen.


Exuviae

Dit, geheel of gedeeltelijk, verdwijnen van Krabbenscheer vegetaties bemoeilijkt vooral het onderzoek naar de relatie tussen de aantallen exuviae en krabbenscheer vegetaties omdat groene glazenmakers twee jaar in het water doorbrengen en de effecten van het verdwijnen van krabbenscheer vegetaties daardoor altijd meerdere jaren nawerken.

In dit artikel is het daarom nog niet mogelijk om definitieve onderzoeksresultaten van de relatie tussen krabbenscheer vegetaties en gevonden aantallen exuviae te presenteren, omdat er nog te weinig onderzoek kon worden gedaan aan langdurig ongestoorde krabbenscheer vegetaties.


Weersomstandigheden

Groene glazenmakers verlaten vanaf half juni het water om te veranderen in het imago. De vliegtijd van deze imago’s loopt daarna door tot begin oktober. De laatste jaren werkte het weer niet altijd mee. Zo was in 2014 de hele maand augustus koud en nat waardoor bijna de hele maand augustus geen waarnemingen aan groene glazenmakers konden worden gedaan. In 2015 was september bijna de hele maand nat en koud en ook in deze maand was het nauwelijks mogelijk om waarnemingen aan groene glazenmakers te doen.


Uitkomsten mannetjes groene glazenmaker

Op een totaal van 225 locaties met krabbenscheer vegetaties werden bij 108 locaties mannetjes groene glazenmaker waargenomen. Om een vergelijking van de waarnemingen tussen de verschillende locaties mogelijk te maken zijn per locatie de hoogste aantallen waargenomen mannetjes genomen met de daarbij horende oppervlakte krabbenscheer. Vervolgens zijn deze waarnemingen bij alle locaties omgerekend naar aantallen mannetjes per 100 m2 krabbenscheer vegetatie.

Het hoogste aantal, absoluut gezien, was 45 op een oppervlakte van naar schatting 9.000 m2 krabbenscheer vegetatie, bij de Dalweg 36 in de Wildervanksterdallen. Bij de meeste plaatsen, namelijk 46, werd maar één mannetje bij de locatie waargenomen.

Relatief gezien werden de meeste mannetjes waargenomen bij de Verbindingsweg in Wildervank, namelijk, omgerekend, 50 mannetjes per 100 m2 krabbenscheer.

Zie tabel 2:


Tabel 2:

Aantal M / 100 m2 Aantal locaties gem opp. KS in m2 grenzen opp. in m2

t/m 1

46

1.065

100 – 9.000

1 – 2

17

137

50 – 500

2 – 3

6

176

35 – 300

3 – 4

9

88

25 – 250

4 – 5

6

54

20 – 100

5 – 7

6

57

15 – 250

7 – 10

7

33

12 – 50

10 – 15

4

25

20 – 30

15 – 20

5

10

5 – 20

50

2

11

2 – 20


Uit de tabel blijkt dat bij grote oppervlakten krabbenscheer vegetaties maar betrekkelijk weinig mannetjes groene glazenmaker worden waargenomen. Op deze locaties komen ze over het algemeen bij grote aaneengesloten krabbenscheer vegetaties voor.

De, relatief, grootste aantallen mannetjes worden waargenomen bij betrekkelijk kleine oppervlakten krabbenscheer. Deze locaties waar de, relatief gezien, hoogste aantallen mannetjes groene glazenmaker worden waargenomen kenmerken zich door grote aantallen verspreid in het water liggende planten, groepjes planten en kleine veldjes krabbenscheer.

Mannetjes groene glazenmaker mijden schaduw: niet eenmaal is een territoriaal mannetje boven een geschikt maar overschaduwd gebied waargenomen. Bij krabbenscheer vegetaties die voor een deel overschaduwd worden patrouilleren de mannetjes altijd boven door de zon beschenen plaatsen. Uiteraard zijn er ook krabbenscheer vegetaties waarbij geen groene glazenmakers zijn waargenomen. Dit betreft vaak kleine en/of geïsoleerd liggende vegetaties. Deze blijken voor vrouwtjes groene glazenmaker vaak wel belangrijk te zijn.


Vrouwtjes groene glazenmaker

Op een totaal van 225 bezochte en gemonitorde locaties werden bij 85 locaties vrouwtjes groene glazenmaker waargenomen. Dit zijn 23 locaties minder dan bij de mannetjes. Het verschil is te verklaren door het feit dat mannetjes eerder en langer op de dag actief zijn dan vrouwtjes en door het feit dat de kans om bij een kleiner, wat geïsoleerd liggend krabbenscheer veldje, een toevallig aanwezig eileggend vrouwtje waar te nemen niet groot is. Hopelijk geeft het onderzoek aan de exuviae hierover meer informatie.


Om een vergelijking van de waarnemingen tussen de verschillende locaties mogelijk te maken zijn per locatie de hoogste aantallen waargenomen vrouwtjes genomen met de daarbij horende oppervlakte krabbenscheer. Vervolgens zijn deze waarnemingen bij alle locaties omgerekend naar aantallen vrouwtjes per 100 m2 krabbenscheer vegetatie.

Het hoogste aantal, absoluut gezien, was 56, eveneens bij de Dalweg 36 in Wildervank, dus ook hier op een totaal oppervlakte van naar schatting 9.000 m2 krabbenscheer vegetatie. Op de meeste plaatsen, namelijk 36, werd maar één vrouwtje bij de locatie waargenomen.

Relatief gezien werden, de meeste vrouwtjes waargenomen bij de Verbindingsweg in Wildervank, namelijk, omgerekend, 100 per 100 m2 krabbenscheer. Zie tabel 3:


Tabel 3.

Aantal V / 100 m2 Aantal locaties gem opp. KS in m2 grenzen / m2

t/m 1

36

1.057

11 – 9.000

1 – 2

18

306

50 – 2.400

2 – 3

5

119

40 – 200

3 – 4

6

37

25 - 50

4 – 5

2

20

20

5 – 9

6

34

15 - 75

10 – 19

6

15

10 – 30

20 – 30

3

26

10 – 50

30 – 40

1

12,5

n.v.t.

40 – 100

1

0,5

n.v.t.

100

1

0,05

n.v.t.


Uit de tabel blijkt dat bij grote oppervlakten krabbenscheer vegetaties maar betrekkelijk weinig vrouwtjes groene glazenmaker worden waargenomen. Op deze locaties komen ze over het algemeen bij grote aaneengesloten krabbenscheer vegetaties voor.

De, relatief, grootste aantallen worden waargenomen bij betrekkelijk kleine oppervlakten krabbenscheer. Deze locaties waar de, relatief gezien, hoogste aantallen vrouwtjes groene glazenmaker worden waargenomen worden gekenmerkt door grote aantallen verspreid in het water, liggende planten, groepjes planten en kleine veldjes krabbenscheer, net als bij de mannetjes.

Uit het vervolg zal duidelijk worden dat het, goed beschouwd, niet de oppervlakte van de krabbenscheer vegetaties is die de geschiktheid van deze vegetaties voor groene glazenmakers bepaald, maar de relatieve lengte van het grensvlak krabbenscheer en open water.


Indeling in belangrijkheidsklassen van krabbenscheer vegetaties


Met behulp van bovenstaande tabellen is het mogelijk om krabbenscheer vegetaties in te delen naar belangrijkheid voor groene glazenmakers, bijvoorbeeld in een schaal van één tot en met zes, waarbij vijf staat voor toplocatie en één voor belangrijk. Zie tabel 4.


Tabel 4:

Belangrijkheid M V

GG-0

Potentieel belangrijk

0 / 100 m2

0 / 100 m2

GG-1

Belangrijk

0 – 1 / 100 m2

0 – 1 / 100 m2

GG-2

Erg belangrijk

1 – 2 / 100 m2

1 – 2 / 100 m2

GG-3

Heel belangrijk

2 – 5 / 100 m2

2 – 5 / 100 m2

GG-4

Zeer belangrijk

5 – 10 / 100 m2

5 – 10 / 100 m2

GG-5

Toplocatie / Optimaal

Meer dan 10 / 100 m2

Meer dan 10 / 100 m2


In deze tabel is gekozen voor het voorvoegsel GG wat staat voor imago Groene Glazenmaker. Het nog lopend onderzoek naar de aantallen exuviae op de krabbenscheer vegetaties maakt het misschien mogelijk en/of gewenst om krabbenscheer vegetaties ook nog in te delen naar geschiktheid voor uitsluipende groene glazenmakers, waarbij dan gekozen kan worden voor een classificatie in E - (exuviae)klassen.


Voor kleine veldjes krabbenscheer, zoals in de GG-5 klasse, geldt dat het grensvlak krabbenscheer vegetatie – open water relatief groot is. In deze situatie zijn de krabbenscheer vegetaties nog helemaal omgeven door open water. Bij klasse GG-4 beginnen de velden elkaar te raken waardoor het grensvlak open water – krabbenscheer vegetatie kleiner wordt. Dit gaat door bij klasse GG-3 waar de losse vegetaties aan elkaar groeien en aaneengesloten raken. Bij klasse GG-2 groeien de vegetaties ook aan de oever vast en bij GG-1 is de hele wateroppervlakte bedekt geraakt en is geen sprake meer van een grensvlak krabbenscheer vegetatie – open water. In de natuur verlopen deze overgangen uiteraard geleidelijk en zal

het in de praktijk erg lastig blijken om hiervoor een classificatie te formulieren. Mijn verwachting is dat in de praktijk zal blijken dat deze indeling naar oppervlakte krabbenscheer vegetatie goed zal functioneren.


Foto’s 1 van KS vegetaties in klassen. (Zie einde)


Natuurlijke ontwikkeling van krabbenscheer vegetaties en samenhang met belangrijkheid voor groene glazenmakers.

Wordt nu gekeken naar de natuurlijke ontwikkeling van krabbenscheer vegetaties dan is het opvallend dat deze omgekeerd overeenkomt met het gebruik van deze vegetaties door groene glazenmakers. Immers krabbenscheer vegetaties ontstaan in een geschikte biotoop door vestiging van één of enkele planten. Deze planten groeien in het volgend jaar uit tot kleine plukjes en veldjes, die in dat jaar optimaal geschikt blijken te zijn voor groene glazenmakers: belangrijkheidsklasse GG-5. Het jaar daarop breiden de krabbenscheer planten zich verder uit en vormen grotere en kleinere veldjes die elkaar gaan raken: belangrijkheidsklasse GG-4: zeer belangrijk voor groene glazenmakers. De volgende jaren breiden deze vegetaties zich, al naar waterkwaliteit wat langzamer of sneller uit, tot het hele wateroppervlak bedekt is met krabbenscheer en belangrijkheidsklasse G-1: belangrijk is bereikt.


Overeenkomsten tussen de Krabbenscheer vegetaties in de Veenkoloniën en de oorspronkelijke biotoop krabbenscheer en groene glazenmaker.


Het is opmerkelijk dat de ontwikkeling van de krabbenscheer vegetaties in de Veenkoloniën goed overeenkomt met de ontwikkeling van krabbenscheer vegetaties in de oorspronkelijke biotoop van krabbenscheer: de benedenloop van laaglandbeken en rivieren en de afgesneden meanders daarin. In de oorspronkelijke biotoop groeien krabbenscheerplanten in de oever vegetatie van traag stromende beken en rivieren en in afgesneden meanders van deze beken en rivieren. In deze beken en rivieren vormen deze krabbenscheer planten daar grotere of kleinere velden en veldjes en verspreid in deze oevervegetatie liggen ook losse planten en kleine groepjes krabbenscheer planten. Regelmatig zullen deze stromen hun loop wijzigen en weer nieuwe meanders vormen waardoor de krabbenscheer vegetaties zich regelmatig zullen verjongen. Krabbenscheer vegetaties in oude meanders zullen zich in de loop van de jaren fors kunnen uitbreiden maar ook gaan verlanden. Deze situatie komt in Nederland uiteraard niet meer voor maar nog wel in Oost Europese landen.

Deze zich steeds weer verjongende krabbenscheer vegetaties vormen de optimale biotoop voor groene glazenmakers maar ook de wat uitgestrektere velden in de afgesneden meanders zullen door de groene glazenmakers worden gebruikt.

Een situatie die hiermee overeenkomt kwam tot voor kort voor in de voormalige Slochter Ae, bij Woudbloem (overigens niet in de Veenkoloniën gelegen). Zie foto 2:


Foto 2: Slochter Ae bij Woudbloem (Zie einde)


Het gebruik van deze krabbenscheer vegetaties door mannetjes groene glazenmaker


Het gedrag van mannetjes groene glazenmaker bij de diverse krabbenscheer vegetaties vertoont afhankelijk van de structuur van deze vegetaties opvallende verschillen.

Bij grote, aaneengesloten vegetaties klasse GG-1, zoals langs de Dalweg 36 in de Wildervanksterdallen, zijn ze onderling vrij vreedzaam. De mannetjes bezetten elk een soort, tijdelijk, territorium van ongeveer 50 meter lengte en enige meters breedte. Binnen dit territorium patrouilleren ze voortdurend, maar ze komen hun buurman maar zelden tegen en als ze elkaar tegenkomen komt het maar zelden tot schermutselingen.

Bij kleinere, maar wel aaneengesloten vegetaties, zoals klasse GG-3, die grenzen aan open water is de situatie duidelijk anders. Hier vestigen de mannetjes hun territorium bij voorkeur op de grens van krabbenscheer vegetatie en open water. De grootte van dit territorium is mede afhankelijk van de lengte van de grens krabbenscheer vegetatie en open water en is vaak duidelijk kleiner dan de 50 meter zoals boven aaneengesloten krabbenscheer vegetaties. Op de grens van open water en krabbenscheer komen de mannetjes elkaar vaak tegen en daar vinden voortdurend hevige luchtgevechten plaats, tussen vaak meerdere mannetjes tegelijk, waarbij de mannetjes elkaar in het water proberen te duwen. Boven de aaneengesloten krabbenscheer vegetatie van deze plaatsen zijn de mannetjes maar zelden te vinden.

Bij smalle en langwerpige aaneengesloten krabbenscheer vegetaties, zoals die in sloten voorkomen, worden opvallend weinig mannetjes boven de krabbenscheer vegetaties gezien. Wanneer er aan het uiteinde van de sloot open water is vestigen zich daar wel mannetjes hun territorium op de grens van open water en krabbenscheer vegetatie. Ook hier komen de mannetjes elkaar dan vaak tegen met felle luchtgevechten tot gevolg.

De optimale situatie voor mannetjes groene glazenmaker blijkt een mozaïek structuur van grotere en kleinere krabbenscheer vegetaties te zijn: klasse GG-5. Hier patrouilleren gelijktijdig verschillende mannetjes boven deze verspreid liggende kleinere krabbenscheer vegetaties zonder dat ze daar een echt tijdelijk territorium lijken te hebben. De mannetjes komen elkaar vaak tegen met felle luchtgevechten, tussen soms verschillende mannetjes tegelijk, tot gevolg.


Foto 3: territoriale mannetjes bij verbindingsweg 2015. (Zie einde)


Het gebruik van deze krabbenscheer vegetaties door vrouwtjes groene glazenmaker

Vrouwtjes groene glazenmaker lijken maar één eis aan de krabbenscheer vegetaties te stellen, namelijk dat de aanwezige planten geschikt zijn om op te landen en dat deze planten een zodanige structuur hebben dat ze op deze planten kunnen afdalen om in de krabbenscheer bladeren die zich onder water bevinden haar eieren kunnen leggen. Eileggende vrouwtjes groene glazenmakers worden dan ook bij alle krabbenscheer vegetaties aangetroffen, bij grote uitgestrekte velden net zo goed als bij kleine veldjes en losse planten, als ze maar op de aanwezige planten kunnen landen en afdalen om hun eieren te leggen. Maar ze hebben, wanneer het zo uitkomt, wel een voorkeur en wel voor die planten waar ze het gemakkelijkst op kunnen landen en dat zijn dan planten die wat verder uit elkaar liggen en waarvan de bladeren niet al te stijl omhoog staan. Dit soort planten wordt vooral gevonden op overgangsplaatsen tussen krabbenscheer vegetatie en open water en op plaatsen waar krabbenscheer planten in een mozaïek van wat grotere en kleinere velden en veldjes en losse planten voorkomt, zoals ook al bij de mannetjes is beschreven.

Vrouwtjes groene glazenmaker zijn niet schaduw mijdend zoals de mannetjes en ze leggen hun eieren ook in overschaduwde krabbenscheer planten.

Ook bij bedekte hemel zijn wel eileggende vrouwtjes groene glazenmaker waargenomen en zelfs één keer een vrouwtje dat haar eieren legde tijdens een fijne motregen.


Foto’s 4 van eileggende vrouwtjes (Zie einde)


Mannetjes en vrouwtjes groene glazenmaker

Boven de krabbenscheer vegetaties komen mannetjes en vrouwtjes groene glazenmaker elkaar regelmatig tegen, maar ze leven daar betrekkelijk vredig samen. Regelmatig proberen de mannetjes wel te paren met de, meestal, eileggende vrouwtjes, maar de vrouwtjes weten dit altijd succesvol te verhinderen. Alleen wanneer op mooie zonnige dagen een grote stapelwolk voor de zon schuift veranderen beide geslachten hun gedrag op opmerkelijke wijze. De vrouwtjes stoppen dan vrijwel direct met het leggen van de eieren en zoeken een plek in de oevervegetatie. Iets later stoppen ook de mannetjes met hun patrouille vluchten boven de krabbenscheer vegetatie en zoeken dan de oever vegetatie af naar de daar rustende vrouwtjes. Vindt een mannetje daar een rustend vrouwtje dan komt het tot een (succesvolle?) paring. Zodra de stapelwolk weer voor de zon verdwenen is hervatten de mannetjes hun patrouille vluchten en de vrouwtjes gaan verder met het leggen van de eieren. Dit gedrag maakt eens te meer duidelijk dat een goed ontwikkelde en gestructureerde oevervegetatie van groot belang is voor groene glazenmakers en dat deze als leef- en voortplantingsgebied van groene glazenmakers aangemerkt en beschermd moet worden en daarmee vallend onder de Flora- en faunawet


Foto’s 5 van zoekend mannetje (Zie einde)

 

Foto’s 6 van GG copula (Zie einde)


Nieuwe adviezen voor beheer van krabbenscheer vegetaties.


Uitgestrekte GG-1 krabbenscheer vegetaties, zoals die bijvoorbeeld voorkomen in laagveen gebieden, blijken niet de optimale biotoop voor groene glazenmakers te zijn. Groene glazenmakers blijken de voorkeur te geven aan een mozaïek van kleinere en grotere velden en veldjes krabbenscheer, waartussen ook losse planten kunnen drijven, en aan grensgebieden tussen krabbenscheer vegetaties en open water. Het verdient dan ook aanbeveling om het beheer hierop aan te passen en te proberen om mozaïeken van krabbenscheer vegetaties of uitgestrekte grensgebieden van open water en krabbenscheer te creëren en in stand te houden in plaats van de uitgestrekte, eenvormige krabbenscheervelden.

In het Nederlandse cultuur landschap zal het erg moeilijk blijken te zijn om dergelijke structuren blijvend in stand te houden omdat krabbenscheerplanten erg snel groeien en heel snel grote wateroppervlakten volledig zullen gaan bedekken.

Als compromis kan gestreefd worden om de grote aaneengesloten GG-1 klasse krabbenscheer vegetaties om te zetten naar belangrijkheidsklasse GG-3 of hogere krabbenscheer vegetaties door zo groot mogelijke grensvlakken te maken tussen open water en krabbenscheer vegetatie. Dit kan bereikt worden door op regelmatige afstanden grote happen uit de aaneengesloten krabbenscheer vegetaties te nemen. Deze grensvlakken blijken voor mannetjes groene glazenmaker erg aantrekkelijk te zijn om een territorium te vestigen en vrouwtjes groene glazenmaker kunnen in dergelijke grensvlakken voldoende aantrekkelijke krabbenscheerplanten vinden om de eieren in te leggen. Het verdient dan aanbeveling om elk jaar op dezelfde plaatsen deze happen weg te nemen en dat bij voorkeur in de periode vlak voor het leggen van de eieren van groene glazenmaker.

Overigens was L.W.G. Higler al tot de conclusie gekomen dat deze grensgebieden krabbenscheer met open water relatief zeer belangrijk zijn voor allerlei in het water levende kleine dieren, zowel wat betreft aantal soorten als aantal individuen. (L.W. G. Higler, 1977: “Macrofauna-cenoses on Stratiotes plants in Dutch broads”, Rijksinstituut voor Natuurbeheer).


Plantenbak methode


Baggeren is altijd fataal voor krabbenscheer vegetaties omdat na het baggeren het water te diep geworden is voor krabbenscheerplanten. Een baggermethode waarbij de bodem tot op verschillende hoogtes wordt gebaggerd zou een structurele oplossing kunnen zijn om top locaties met een mozaïek van krabbenscheer vegetaties te creëren en in stand te houden. In Wildervank is het Westerdiep in 2009 op een dergelijke wijze gebaggerd. (S. Holtes, Brilleman, J. & Dutmer, G., 2001). De eerste jaren na het op deze krabbenscheer sparende manier van baggeren leek deze methode ook succesvol, met mooie krabbenscheer vegetaties boven het niet gebaggerde deel. Maar na enkele jaren werden de krabbenscheer vegetaties boven het niet gebaggerde deel elk jaar steeds smaller en in 2015 waren ze vrijwel helemaal verdwenen.


Foto’s 7: Westerdiep in Wildervank (Zie einde)


Duidelijk is nu wel dat deze wijze van baggeren op langere termijn niet werkt, waarschijnlijk omdat de sapropeliumlaag, die onder de krabbenscheerplanten gespaard is gebleven na verloop van tijd toch naar het gebaggerde, diepe, water afzinkt, waardoor het water voor de krabbenscheer planten uiteindelijk toch te diep word. Voor een succesvol eindresultaat voor een degelijke baggermethode is het daarom noodzakelijk dat voorkomen wordt dat de sapropeliumlaag onder aanwezige krabbenscheer vegetatie afzinkt naar de gebaggerde, dieper gelegen bodem.

Een mogelijke oplossing, die vooral in stedelijke gebieden toegepast zou kunnen worden, is om een soort van (kunststof) plantenbakken op de bodem van het water plaatsen en die te vullen met voor krabbenscheer geschikt substraat. De plaats van deze plantenbakken kan met GPS nauwkeurig worden vastgelegd zodat hier probleemloos omheen gebaggerd kan worden.

De grootte van de bakken moet nog experimenteel worden vastgesteld maar een formaat van vijf bij vijf meter tot vijf bij tien meter lijkt voldoende. Deze bakken kunnen worden geplaatst op een onderlinge afstand variërend van 20 tot 50 meter. Op deze wijze kan het gewenste mozaïek van krabbenscheer vegetatie ontstaan en in stand gehouden worden, die optimaal geschikt lijkt voor groene glazenmakers.


Samenvatting

Uit een langdurig onderzoek naar de biotoop van groene glazenmakers in de Veenkoloniën is gebleken dat niet eenvormige, uitgestrekte krabbenscheer vegetaties de ideale biotoop van groene glazenmakers vormen, maar dat een mozaïek van krabbenscheer velden en veldjes en losse planten de ideale biotoop vormt voor groene glazenmakers. Het blijkt mogelijk om krabbenscheer vegetaties in zes groepen, in opklimmende mate belangrijkheid, voor groene glazenmakers, in te delen.

Het blijkt zinvol om het beheer van krabbenscheer vegetaties op een andere wijze uit te voeren, waarbij gestreefd kan worden om de eenvormige, uitgestrekte, GG-1 klasse krabbenscheer vegetaties om te zetten naar meer gevarieerde, GG-3 of GG-4 klasse, krabbenscheervegetaties. In stedelijke gebieden, waar aanwonenden moeite hebben met de aanwezigheid van krabbenscheer vegetaties zou, na baggeren, de plaatsing van geschikte plantenbakken met krabbenscheer planten in het water een mogelijke en duurzame oplossing kunnen zijn.


Dankwoord

Voor dit onderzoek zijn de op de website www.waarneming.nl ingebrachte waarnemingen van krabbenscheer en groene glazenmaker in de Veenkoloniën erg behulpzaam geweest en alle personen die deze waarnemingen hebben ingebracht: bij dezen heel hartelijk bedankt!

Platform Berend Botje, en in het bijzonder zijn voorzitter, de heer Henk Jaap Meijer worden op deze plaats heel hartelijk bedankt voor zijn medewerking en inzet om de groene glazenmaker te beschermen en de nodige juridische procedures voor te bereiden en in gang te zetten, om zo te bereiken dat de Flora- en faunawet en de Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen goed worden nageleefd en de groene glazenmaker krijgt waar deze een wettelijk vastgelegd recht op heeft: een veilig en beschermd leef- en voortplantingsgebied!


Krabbenscheervegetaties in 5 klassen foto's
klasse 1

Wildervanksterdallen – voormalige veenwijk bij Dalweg 36. Voorbeeld van een GG-1 klasse krabbenscheer vegetatie. Foto Gerard Dutmer, 17 juli 2013. lat: 53.05803 – lng: 6.878185 / AC: 254.9577 –
klasse 2
Veendam – Bij de Reider Ae. Voorbeeld van een GG-2 klasse krabbenscheer vegetatie. Foto Gerard Dutmer, 15 augustus 2012. lat: 53.09500 – lng: 6.849446 / AC: 252.9477 – 568.5704

klasse 3
Wildervank, Westerdiep bij 5e laan. Voorbeeld van een GG-3 klasse krabbenscheer vegetatie. Foto Gerard Dutmer, 19 augustus 2012. lat: 53.09137 – lng: 6.868411 / AC: 254.2263 – 568.1919
klasse 4

Emmer–Erfscheidenveen, kanaal A west, vak 10. Voorbeeld van een GG-4 klasse krabbenscheer vegetatie. Foto Gerard Dutmer, 4 september 2013. lat: 52.80271 – lng: 6.966698 / AC: 261.5130 – 536.2148
klasse 5

Zuidwending, Sloot bij benzinepomp langs N 366. Voorbeeld van een GG-5 klasse krabbenscheer vegetatie. Foto Gerard Dutmer, 1 augustus 2012. lat: 53.08946 – lng: 6.951498 / AC: 259.7963 – 568.0974
Literatuur:

Rienk Geene, 1989: biotoopvoorkeur van de Groene glazenmaker (Aeshna viridis) in: Insektenfauna en Natuurbeheer, W.N. Ellis ed.

Higler, L.W.G., 1977: Macrofauna-cenoses on Stratiotes plants in Dutch broads. Rijksinstituut voor Natuurbeheer, Wageningen.

S. Holtes, Brilleman, J. & Dutmer, G.: Vangen van krabbenscheer beschermt groene glazenmaker bij baggeren. H2O / 06 - 2011.


Trefwoorden: Odonata, Aeshna viridis, Stratiotes aloides, Gronings-Drentse Veenkoloniën, biotoop, beheeradvies, plantenbak methode.

 

Concept van het artikel zoals is aangeleverd voor Brachytron, Tijdschrift van de Nederlandse Vereniging voor Libellenstudie en Libellenvereniging Vlaanderen vzw.

De bedoeling is dat deze in het jaar 2016 gepubliceerd wordt.

Bij het artikel horen drie Excel bestanden: VK-excel2015 KS, GG-KS M, 2015 en GG-KS V, 2015.

Van de in het artikel genoemde foto’s zijn alleen de foto’s van de vijf klassen Krabbenscheer vegetaties bijgevoegd.

 

Krabbenscheer vegetaties in de Veenkoloniën als biotoop voor groene glazenmakers (Aeshna viridis) en nieuwe adviezen voor beheer van krabbenscheer (Stratiotes aloides) vegetaties


S.G. (Gerard) Dutmer


gerarddutmer@hotmail.com

Roolfs 3

7482 LJ Haaksbergen