KRABBENSCHEER
De Krabbenscheerplant en zijn leefwijze.

Westerdiep in Wildervank bij de 5e laan, voor het baggeren in 2008.

Krabbenscheer is een meerjarige, in de bodem wortelende, waterplant met uitlopers en met een rozet van stugge spitse bladeren op een korte stengel. Krabbenscheer komt voor in rustig water tussen een waterdiepte van 25 centimeter tot 2 meter. Bij een waterdiepte tussen 1 meter en 2 meter blijft de plant het hele jaar ondergedoken. Door middel van lange, stevige, maar breekbare wortels zijn de planten stevig verankerd in organisch sediment (sapropelium). Ondergedoken planten hebben lange, tot wel 1 meter, vrij smalle en slappe “waterplant” bladeren. Bij een waterdiepte van minder dan 1 meter blijven de toppen van de bladeren in de zomermaanden boven het water uitsteken. De bladeren van deze aan de oppervlakte drijvende planten worden in de loop van de tijd echte “landplant” bladeren: stevig en stug. Deze planten kunnen een doorsnede van 1 meter bereiken. Krabbenscheerplanten lijken een leeftijd te kunnen bereiken van vele tientallen jaren.
Bij Krabbenscheer zijn er mannelijke en vrouwelijke bloemen, die meestal op verschillende planten verschijnen. Bij beide geslachten steken de bloemen boven het water uit. De mannelijke bloemen zijn vrij groot en opvallend. Er zitten 3 – 6 bloemen bij elkaar op een steeltje. De vrouwelijke bloemen zijn vrij klein, alleenstaand en bijna zittend. Aan de vorm van de schutblaadjes van de bloemsteel heeft de Krabbenscheer zijn naam te danken: deze schutblaadjes vormen als het ware de schaar van een krab. De bloemen worden bestoven door allerlei insecten, waarvan vliegen de belangrijkste zijn en worden de vruchten gevormd.

In de herfst zakken de meeste Krabbenscheerplanten naar de bodem waar de zaden vrij komen. Deze zaden drijven naar het wateroppervlak waar ze door wind en golven verspreid worden. Een deel van de zaden wordt door watervogels gegeten, maar deze worden niet alle verteerd en worden zo verspreid. Na verloop van tijd zakken de zaden naar de bodem waar ze onder gunstige omstandigheden kunnen kiemen en uitgroeien tot nieuwe Krabbenscheerplanten. Het feit dat Krabbenscheer zich in korte tijd op veel verschillende plaatsen in de Veenkoloniën heeft gevestigd wijst erop dat de plant zich door middel van zaden goed kan verspreiden.
Krabbenscheerplanten kunnen zich in de zomer door uitlopers ook vegetatief vermeerderen. Op gunstige plaatsen kan dit in de zomermaanden zeer snel gaan en kan Krabbenscheer in korte tijd grote wateroppervlakten bedekken. Vaak zijn dergelijke uitgebreide vegetaties uit een plant ontstaan, zogenaamde klonen en bestaan ze uit alleen mannelijke of alleen vrouwelijke planten. Dergelijke vegetaties zijn door hun genetische eenvormigheid kwetsbaar. Het lijkt erop dat ze onder ongunstige omstandigheden geen, of maar weinig, uitlopers vormen.

 

In de zomermaanden drijven Krabbenscheerplanten bij een waterdiepte die minder is dan 80 cm aan de wateroppervlakte; op plaatsen waar het water dieper dan 1 meter is blijven ze geheel ondergedoken. In de herfst beginnen de planten af te sterven en de resten van de rozetten zinken op veel plaatsen bij voldoende waterdiepte naar de bodem waar ze overwinteren. In de Veenkoloniën blijven op tal van plaatsen de afgestorven rozetten gewoon aan de oppervlakte drijven waar ze probleemloos overwinteren.
In het voorjaar beginnen ze onder invloed van de toenemende hoeveelheid daglicht weer nieuwe bladeren en wortels te vormen. In de nieuwe bladeren vormen zich gasblazen en door het toenemend aantal gasblazen in de nieuw gevormde bladeren beginnen de rozetten op te stijgen waarbij ze worden afgeremd door de langzaam groeiende nieuwe wortels en het gewicht van de nog aanwezige wortels. Vanaf een waterdiepte van minder dan 80 cm bereiken de planten de wateroppervlakte.


 


Uit: L.W.G. Higler, 1977: Macrofauna-cenoses on Stratiotes plants in Dutch broads.


Het lijkt erop dat de wortels van Krabbenscheer planten stoppen met groeien zodra de planten goed aan de wateroppervlakte drijven. Zo kwamen in het voormalige Westerdiepsterdallenkanaal in het voorjaar van 2008 de Krabbenscheerplanten vlot aan de wateroppervlakte. Door de voorbereidingen bij de aanleg van de vaarverbinding werd in de loop van juni 2008 het waterpeil in het kanaal verhoogd waardoor de Krabbenscheerplanten onder water verdwenen. Maar na enige tijd kwamen de ondergedoken rozetten toch weer boven, door hernieuwde wortelgroei.


Licht is een belangrijke biotoopfactor voor ondergedoken Krabbenscheerplanten.

Licht wordt door water in zeer sterke mate geabsorbeerd en bij te diep, donker gekleurd of troebel water zal een op de bodem liggende Krabbenscheerplant maar langzaam groeien, of zelfs helemaal niet en afsterven, en pas laat in het voorjaar omhoogstijgen en, eenmaal laat aan de oppervlakte gekomen, maar weinig tijd meer hebben om uit te groeien tot een grote Krabbenscheerplant.
In de geraadpleegde literatuur wordt aan de helderheid van het oppervlakte water in relatie met Krabbenscheer overigens nauwelijks aandacht besteed. Bloemendaal en Roelofs, (1988), vermelden, overigens in een ander verband, namelijk waterverharding in laagveengebied, maar wel in relatie tot Krabbenscheer: “ …. waardoor slechts weinig licht tot de bodem kan doordringen. Vooral in wat diepere wateren kan dit de migratie van jonge en oude krabbescheerplanten naar het wateroppervlak sterk remmen. Planten die de winter overleven, stijgen later op, zijn kleiner en hebben minder wortels. Bovendien vormen ze in troebel water bijna geen luchtbladeren; de meeste planten blijven ondergedoken”.

Overigens is het hierboven afgebeelde veel gebruikte plaatje (fig. 5) uit Bloemendaal en Roelofs, (1988), niet juist; het plaatje suggereert dat de Krabbenscheerplant de hele zomer vrij in het water zweeft; dit is onjuist: Krabbenscheerplanten zitten het hele zomer door stevig verankerd in de bodem, met lange en stevige wortels, die wel gemakkelijk afbreken, vooral bij de wortelbasis van de rozet. De tekst bij de afbeelding is wel juist: in ondiep water bereikt de plant het wateroppervlak; in diepere wateren kunnen ze het wateroppervlak niet bereiken; ze vormen dan ook geen “landplantbladeren”.