WETGEVING    en   GEDRAGSCODE

Habitatrichtlijn EEG 1992.


De bescherming van de Groene glazenmaker, en daarmee indirect ook de plant waar deze volledig van afhankelijk is Krabbenscheer, is geregeld in het Europese kader: de Habitat richtlijn EEG 1992. Deze Habitatrichtlijn is de Europese kaderwet voor het behouden van de natuurlijke habitats (dat wil zeggen typen natuur) en de wilde dier- en plantensoorten die van Europees (“communautair”) belang zijn. Het doel van de Habitatrichtlijn is (artikel 2): “bij te dragen tot het waarborgen van de biologische diversiteit door het instandhouden van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna op het Europese grondgebied van de Lid-Staten waarop het Verdrag van toepassing is.
De op grond van deze richtlijn genomen maatregelen beogen de natuurlijke habitats en de wilde dier – plantensoorten van communautair belang in een gunstige staat van instandhouding te behouden of te herstellen.” De Habitatrichtlijn kent twee hoofdlijnen die we ook in het Nederlandse natuurbeleid kennen: een soortgerichte en een gebiedsgerichte aanpak. De Groene glazenmaker valt onder de soortgerichte aanpak en staat op lijst IV, wat betekent dat de Groene glazenmaker strikt beschermd is.

Soortenbescherming in de Habitatrichtlijn:

De soortgerichte aanpak bestaat uit de strikte bescherming van dier- en plantensoorten, waaronder dus de Groene glazenmaker, die genoemd staan in bijlage IV. Strikte bescherming betekent: de soort is altijd en overal beschermd door middel van verbodsbepalingen. In artikel 12 is dat als volgt verwoord: “een verbod wordt ingesteld op: a. het opzettelijk vangen of doden van in het wild levende specimens van die soorten; b. het opzettelijk verstoren van die soorten, vooral tijdens de perioden van voortplanting, afhankelijkheid van de jongen, overwintering of trek; c. het opzettelijk vernielen of rapen van eieren in de natuur; d. de beschadiging of de vernieling van de voortplantings- of rustplaatsen.” De reden voor bescherming ligt in de situatie waarin de soort zich in Europa bevindt. De geselecteerde soorten zijn veelal zeldzaam en/of afgenomen – dezelfde criteria die voor het opstellen van Rode Lijsten worden gehanteerd. De basis voor de selectie werd al in 1979 gelegd in de Bern-conventie, een verdrag van de Raad van Europa dat in 1979 in Bern werd gesloten, met als doel het behoud van (met name bedreigde) wilde dier- en plantensoorten.

In Appendix II van dit verdrag is een lijst opgenomen van strikt beschermde diersoorten. Alle libellen die in bijlage IV van de Habitatrichtlijn zijn opgenomen, stonden al op de Appendix II. Wat betreft de Groene glazenmaker: deze behoort tot een groep libellen soorten die hun hoofdverspreiding in Noordoost-Europa hebben met een uitloper tot in ons land, waarbij die uitloper al langere tijd sterk in belang afneemt. Andere soorten die tot deze groep behoren zijn de Noordse winterjuffer en de drie zeldzame soorten Witsnuitlibellen. De regels en bepalingen die voortvloeien uit de Habitatrichtlijn zijn in Nederland opgenomen en nader uitgewerkt in de Flora- en faunawet.



Flora- en faunawet 1998.

De flora- en faunawet (F&f-wet) is de in Nederland sinds 1998 geldende wet ter bescherming van de in het wild levende planten- en diersoorten. De wet beschermt (nagenoeg) alle soorten gewervelde dieren, maar van de ongewervelde dieren en de planten slechts een selectie. Tot die selectie behoren alle soorten die beschermd moeten worden als gevolg van internationale regelgeving en verdragen. Daardoor zijn alle in Nederland in het wild voorkomende soorten die voorkomen op Bijlage IV van de Habitatrichtlijn beschermd krachtens de F&f-wet ( artikel 4: “beschermde inheemse diersoort”), waaronder dus de Groene glazenmaker. Deze wettelijke bescherming bestaat uit meer dan wat volgens de Habitatrichtlijn verplicht is.
De volgende handelingen zijn namelijk verboden: doden, verwonden, vangen, bemachtigen of met het oog daarop opsporen (artikel 9), opzettelijk verontrusten (artikel 10), nesten, holen of andere voortplantings- of vaste rust- of verblijfsplaatsen beschadigen, vernielen, uithalen, wegnemen of verstoren (artikel 11), en eieren zoeken, rapen, uit het nest nemen beschadigen of vernielen (artikel 12). Opvallend is dat de meeste handelingen niet opzettelijk gepleegd hoeven te zijn. Ook onopzettelijke handelingen vallen onder de verboden, omdat opzet heel moeilijk is aan te tonen. Van de genoemde verboden kan en algemene vrijstelling worden verleend krachtens artikel 75. Voor de betrokken libellen kan dat onder andere voor reguliere beheersmaatregelen, als de beheerder zich aan een gedragscode houdt. Ook is er in individuele gevallen een ontheffing mogelijk, maar die wordt pas verleend na een “uitgebreide toets”.

Deze uitgebreide toets houdt onder andere in:

1. er moet sprake zijn van een groot belang.

2. het moet niet anders kunnen.

3. de goede staat van instandhouding moet niet in gevaar komen.
Bij toetsing aan de Flora en Faunawet gaat het dan om deze drie samenhangend criteria, waarbij aan alle drie tegelijk moet worden voldaan.

Literatuur:
Deze samenvatting is ontleend aan: Bal, D & D. Groenendijk, 2006: De gevolgen van de Habitatrichtlijn voor de wettelijke bescherming van libellen in Nederland. Brachytron 9(1/2): 38-48.

Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen 2012, met betrekking tot Groene glazenmaker en Krabbenscheer.
Hierbij een opsomming van de belangrijkste bepalingen uit de Gedragscode Flora-en faunawet voor waterschappen 2012, die van toepassing zijn op Groene glazenmaker en daarmee op de plant waar dit zwaar beschermd insect de eieren legt: Krabbenscheer. De libel Groene glazenmaker is een strikt beschermde diersoort als bedoeld in artikel 4, lid 2, van de Flora- en faunawet. Tevens is de Groene glazenmaker opgenomen in bijlage IV van de EU-Habitatrichtlijn, dier- en plantensoorten van communautair belang die strikt moeten worden beschermd.

De details van deze gedragscode zijn de vinden in deze te downloaden pdf.